Hoogleraarportretten aan de VU

Al eeuwenlang maken en tonen universiteiten portretten van hun hoogleraren, vooral gewichtige formele portretten, passend bij de (toenmalige) status van instelling en persoon. Het gaat terug tot de oprichting van de eerste Nederlandse universiteiten eind 16e, begin 17e eeuw. Geen enkele collectie is echter compleet; door wisselende historische en financiële omstandigheden was het laten maken van portretten soms belangrijker dan anders.

De eerste portretten van oprichters en hoogleraren van de Vrije Universiteit zijn pas van veertig jaar na de oprichting in 1880. Uit de nalatenschap van oprichter Abraham Kuyper (1837-1920) kwamen twee portretten, een van hemzelf en een van zijn goede vriend en mede-hoogleraar F. L. Rutgers (1836-1917). Voor de 1921 overleden hoogleraar Herman Bavinck (1854-1921) werd een comité gevormd om hem te herdenken. Er kwam dusdanig veel geld binnen, dat er ook een portret werd gemaakt, door de kunstenaar Louis Goudman, die meer van de vroege portretten heeft geschilderd. In de jaren daarna zijn ook het portret van Willem Geesink (1854-1929) en Jan Woltjer (1849-1917) in opdracht van een comité gemaakt en geschonken aan de universiteit. 

Kuyper, A. - Rutgers, FL
prof. dr. A. Kuyper (1837–1920) en prof. dr. F.L. Rutgers (1836-1917)

Bij deze eerste portretten was de VU niet de initiatiefnemer: ze werden geschonken. Er was geen sprake van een eenduidig beleid voor het maken van hoogleraarportretten. Ook in de latere jaren was dit het geval. Meestal werd bij het emeritaat (op 70-jarige leeftijd) door een gelegenheidscommissie naast een afscheidsreceptie ook een portret aangeboden. Hoogleraren die eerder vertrokken of stierven kregen dus vaak geen portret.

In de jaren 1950 is er door de Civitasraad (toenmalige vertegenwoordiger van de academische VU-gemeenschap) een inhaalslag gemaakt, en zijn hoogleraren als Willem Zevenbergen (1884 – 1925) en Biesterveld (1863-1908) postuum geschilderd. In de jaren zeventig is in de aula van het nieuwe hoofdgebouw een portrettengalerij ingericht. Het al dan niet maken van portretten werd verder vooral over gelaten aan de faculteiten en de gelegenheidscomités. Hierdoor kan het dat er bijvoorbeeld van alle decanen van FGB geschilderde portretten zijn, en nauwelijks van de Bètafaculteiten. Ook kozen (en kiezen) sommige faculteiten voor het fotograferen van prominenten.

In 1999 zijn alle (ongeveer 30) vrouwelijke hoogleraren gefotografeerd en tentoongesteld, deze portretten zijn niet opgenomen in de collectie, maar meegegeven aan de afgebeelden. Bij de grote Kopstukken expositie in 2010 bleek er slechts één geschilderd portret van een vrouwelijke hoogleraar te zijn, van Gezina van der Molen (1898-1978) Hierna is er een inhaalslag gemaakt, met portretten van vrouwelijke hoogleraren van Rechten en Religie en Theologie, door kunstfotograaf Annaleen Louwes. Nog steeds worden er portretten van rectores gemaakt, en van decanen van sommige faculteiten. 

Hoogleraarportretten-Molen-Sliedrecht
prof. dr. G.H.J. van der Molen (1892- 1978) , prof. mr. E. van Sliedregt (1971)

Met het groter worden van de universiteit, en het flexibeler worden van de loopbaan van hoogleraren (weinigen blijven nu nog 40 jaar bij een universiteit) staat de portrettengalerij in de traditionele zin van het woord ter discussie. Want wie komt hiervoor in aanmerking? En hoe dan? Is het vastleggen van individuen in gemeenschappelijke wetenschapsbeoefening eigenlijk nog wel van deze tijd?